Jezus: God's rechterhand of bedrieger?

06-10-2020

13.45

Aula

The sources of Celsus' criticism of Jesus;

E. Tijsseling

prof.dr. L.J. Lietaert Peerbolte, prof.dr. M.A. Smalbrugge

Faculteit Religie en Theologie

Theologie

Promotie

Kerkvader Origenes heeft acht boeken nodig gehad om het negatieve verhaal van de heidense filosoof Celsus (tweede eeuw na Chr.) over Jezus te weerleggen. Celsus schreef dit boek nadat hij een joods geschrift had gelezen dat stelde dat de meeste evangelieverhalen bedrog waren. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Egge Tijsseling die daarmee de vraag probeert te beantwoorden waarom Celsus zich tegen Jezus keerde en waar hij de inspiratie vond om dat te doen.

Heidense filosoof vs. christendom
De tweede belangrijke vraag was waarom een ​​heidense filosoof zich zoveel zorgen maakte over de groei van het christendom. Tijsseling: “Waarom was hij geïnteresseerd? Hij was namelijk toegewijd aan de Romeinse religie maar was ook volgeling van Plato, terwijl het christendom nooit bedoeld was als  filosofische school.” Celsus kreeg oog voor wat hij zelf de gevaren van het christendom vond: het isolationisme en de geheimzinnigheid, die de christenen zochten, de bedreiging die ze vormden voor de Romeinse vroomheid die zo essentieel was voor de stabiliteit van het Rijk, en de uitsluiting van andere goden (dan Jezus en zijn Vader).

Heidense overtuigingen
Hoe meer christelijke apologeten deze “nieuwe” religie probeerden te presenteren als niets minder dan het hoogtepunt van de joodse religie, en de joodse bijbel als een volledig christelijk boek, des te meer raakte Celsus vastbesloten een werk te schrijven, gebaseerd op zijn eigen heidense overtuigingen, om aan te tonen dat het levensbedreigend was een volgeling te worden van deze filosofische lichtgewicht, genaamd Jezus. Tijsseling: “Volgens Celsus had Jezus nooit iets laten zien, had hij zijn meest directe  volgelingen niet in de hand, deed zijn wonderen door een soort magie, was een bastaard, verried de mensen uit wier midden hij voortkwam en stierf roemloos aan een kruis.” 

In de leidende kringen van hoogopgeleide heidense filosofen in de tweede eeuw moet het christendom een bekend fenomeen geweest zijn. Zij kenden Jezus zoals Celsus het christendom kende en ermee in contact stond. Wat hij wist over Jezus ontleende hij voornamelijk aan het joodse geschrift dat hij laat spreken voor zover het kritiek op Jezus betreft. Tijsseling: “Verder ontleende hij die kritiek aan het Oude Testament, Plato, de canonieke evangeliën, aan andere joodse bronnen, en niet in het minst aan het gesproken woord. Wat betreft het Platonisme dat nodig is om Celsus’ godsbeeld te begrijpen: volgens Celsus en Plato is God de Schepper van alles wat onsterfelijk is, van de ziel en de kosmos, en dus is God de hoogste God.”

 Meer informatie over het proefschrift